Wat er vandaag zit aan te komen, is ernstig. De automatische loonindexering ligt opnieuw onder vuur. Al decennialang proberen werkgevers en politici dit essentiële mechanisme te verzwakken via indexsprongen, manipulaties of vermomde beperkingen. Deze keer gaat de Arizona-regering echt tot actie over. In haar begrotingsakkoord besliste ze om de indexering te begrenzen, zogezegd voor een budgettaire inspanning van € 10 miljard. In de media deden meerdere scenario’s de ronde: een volledige indexsprong, een gerichte indexsprong, annualisering, forfaitarisering, uniformisering van stelsels… Uiteindelijk voorziet het akkoord van 24 november 2025 in een begrenzing van de index, wat neerkomt op een gedeeltelijke indexsprong. Deze maatregel, ook ‘centenindex’ genoemd, wordt voor het eerst toegepast in 2026, en nogmaals in 2028. Deze treedt in op 1 april 2026. Concreet zal de indexsprong enkel gelden voor lonen boven € 4.000 bruto (voltijds, of € 2.000 voor halftijds) en boven € 2.000 bruto voor sociale uitkeringen, inclusief pensioenen. Een beslissing met zware gevolgen: ze zal bijna één op twee werknemers treffen, de financiering van de sociale zekerheid verzwakken en ook de overheidsfinanciën aantasten.
We overlopen dit eens meer in detail.
De oorsprong van de loonindexering
Wanneer de prijzen stijgen, gaan ook onze lonen mee omhoog. Dat noemen we de automatische indexering. Het gaat namelijk om een, vertraagde, aanpassing aan de inflatie zodat we met het bedrag dat we elke maand op onze rekening krijgen ongeveer hetzelfde kunnen blijven kopen.De index is geen cadeau. Het is een inhaalbeweging die ervoor zorgt dat onze koopkracht de evolutie van die kosten kan blijven volgen. Iedereen kan erop rekenen. Het systeem is niet rechtvaardig of onrechtvaardig, maar neutraal. Het zorgt voor stabiliteit in de economie en financiert ook mee de sociale zekerheid. Omdat de index voor iedereen geldt, is het een belangrijke buffer tegen armoede en een uitstekend voorbeeld van solidariteit.
Het mechanisme van de automatische loonindexering is al een eeuw oud. De eerste toepassingen ervan dateren van 1921. Het systeem is uniek in Europa. Het principe? Ervoor zorgen dat gezinnen hun koopkracht kunnen behouden wanneer de kosten van het levensonderhoud stijgen. We hadden net de Eerste Wereldoorlog achter de rug en het waarborgen van de sociale vrede was “van hoogdringend nationaal belang” in een periode van economische wederopbouw.
De index is ingevoerd via collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s), het resultaat van sociaal overleg. In 1935 werd het systeem gebruikt om de kinderbijslag en de pensioenen aan te passen. Het groeide uit tot een cruciaal element van de bescherming van de koopkracht van werknemers en mensen met een sociale uitkering.
Hoe werkt het systeem?
Het systeem is gebaseerd op een indexcijfer van de consumptieprijzen. Wanneer dit indexcijfer een bepaalde spil overschrijdt, worden de lonen en sociale uitkeringen geïndexeerd. Het is de evolutie van de prijs van een standaardkorf van representatieve producten en diensten, naargelang van het gewicht dat zij vertegenwoordigen (in procenten), die de index dus doet evolueren of niet. Op regelmatige basis worden producten verwijderd of toegevoegd naargelang van de evolutie van de consumptie. Het doel is de consumptie van de Belgen weer te geven.
Er bestaan verschillende indexeringssystemen, afhankelijk van de sector. Het loon van een werknemer in de handel wordt bijvoorbeeld op een ander moment en volgens andere principes geïndexeerd dan dat van een werknemer in de banksector of de logistiek. Voor ambtenaren gebeurt de aanpassing van het loon nog op een ander moment. Uitkeringen (zoals pensioenen) worden geïndexeerd telkens de spilindex met 2% overschreden is.
Twee verschillende indexeringssystemen
Om het schematisch voor te stellen, bestaan er binnen de sectoren twee grote soorten systemen:
- Ofwel een indexeringssysteem op een vaste datum. De lonen worden dus op een vaste datum geïndexeerd met het percentage van de evolutie van de afgevlakte gezondheidsindex[1] tussen de twee data. In veel sectoren zijn deze systemen jaarlijks, met een indexering op 1 januari van elk jaar, waarbij men de evolutie van de afgevlakte gezondheidsindex van november of december van jaar X (2025) vergelijkt met die van november of december van jaar X-1 (2024). Een voorbeeld is het pc 200 waar de lonen op 1 januari 2026 geïndexeerd werden met 2,21%.
Ofwel een indexeringssysteem op basis van een spilindex. Elke sector heeft spilindexen vastgelegd die variëren volgens een bepaald percentage, meestal 2%. Dus wanneer de spilindex van de sector wordt overschreden door de afgevlakte gezondheidsindex, worden de lonen met 2% geïndexeerd in de maand daarop of twee maanden later, zoals bijvoorbeeld het geval is voor de volledige socialprofitsector. Er bestaan nog gunstigere systemen, zoals in het paritair comité 202 (kleinhandel in voedingswaren), waar de spilindexen 1% uit elkaar liggen. Dit zorgt ervoor dat de lonen sneller worden geïndexeerd per schijf van 1%. Zo werden in 2025 de lonen in februari en april met telkens 1% geïndexeerd.
Deze mix van systemen houdt in dat niet alle lonen op hetzelfde moment worden geïndexeerd. In een periode van hoge inflatie heeft dit als voordeel dat de aanpassing van de lonen niet opnieuw een prijsstijging veroorzaakt, een sneeuwbaleffect.
De gemanipuleerde index, een terugkerend patroon
In de voorbije 40 jaar is er meermaals grondig ingegrepen in ons indexeringsstelsel, waardoor er een steeds grotere kloof is ontstaan tussen de evolutie van onze lonen en de werkelijke inflatie. Enkele voorbeelden:
- Indexsprong: al toegepast in de jaren ‘80 en ook één van de eerste beslissingen van de regering-Michel in 2015.
- Afgevlakte index: deze werd ingevoerd in 1983 en kwam neer op een berekening van de evolutie van de index op basis van het gemiddelde van de vier voorgaande maanden en niet meer van maand tot maand, hetgeen ertoe leidde dat de evolutie enigszins werd vertraagd.
- Gezondheidsindex: in 1993 heeft de regering-Dehaene de gezondheidsindex uitgevonden. Het principe is eenvoudig: een hele reeks producten waarvan de prijzen zeer snel konden stijgen als gevolg van internationale spanningen of eenvoudigweg door een verhoging van de accijnzen, werden uit de indexkorf gehaald. Dit was het geval voor brandstof, alcohol en tabak.
- Naast deze ingrepen in de berekening wordt er door de werkgevers intensief gelobbyd rond de relatieve waarde van de goederen en diensten in de korf. Zo trachten ze het relatieve gewicht te verhogen van goederen waarvan de waarde de neiging heeft snel te dalen.
Arizona, een waaier aan ideeën om de index aan te vallen
Terugkeer van de indexsprong!
Zoals hierboven vermeld, voorziet het begrotingsakkoord van 24 november 2025 in een gedeeltelijke indexsprong via een begrenzing van de hogere lonen en sociale uitkeringen (inclusief pensioenen). Een indexsprong, zelfs een gedeeltelijke, is nadelig voor de werknemers en leidt tot een verlies over de volledige loopbaan.
We gaan terug naar 2015, de indexsprong van de regering‑Michel:
Deze maatregel gold voor alle lonen, hoe hoog of laag ze ook waren. Tot op vandaag is het verlies door de indexsprong van 2015 voor de werknemers enorm.
| Loon (bruto) | Verlies (bruto) |
| € 2.000 | € 6.500 |
| € 4.000 | Meer dan € 13.000 |
Het daaruit resulterende verlies aan koopkracht blijft de werknemers hun hele loopbaan lang en zelfs tot aan hun pensioen achtervolgen.
Mediaan brutojaarloon | Maandloon | Verlies bij een indexsprong van 2% (bruto) |
€ 46.103 | € 3.316 | € 922 per jaar |
Brutoverlies voor een werknemer van 35 jaar met nog 32 jaar loopbaan voor de boeg: | ||
Bovendien heeft de indexsprong ook een sneeuwbaleffect op toekomstige loonstijgingen. Want telkens later opnieuw een index wordt toegepast, zal de berekeningsbasis vertekend zijn omdat die zelf door de indexsprong verminderd is. 2% op 2% op 2%...
Dit is niet alleen een antisociale maatregel maar ook een contraproductieve. Wanneer de werknemers koopkracht verliezen, geven ze immers ook minder geld uit en dus verliest de hele economie erbij.
En Arizona?
De maatregel die door de Arizona-regering werd beslist, is een begrenzing van de indexering, de zogenaamde ‘centenindex’. Het principe bestaat er dus in de normale indexering toe te passen tot aan een bepaalde grens. Deze grens is vastgesteld op € 4.000 bruto voor de lonen (voltijds, en € 2.000 bruto voor halftijds) en op € 2.000 bruto voor de sociale uitkeringen, inclusief pensioenen. Concreet krijgt een werknemer met een loon onder € 4.000 bruto per maand nog altijd een volledige indexering, terwijl een werknemer met een hoger loon enkel geïndexeerd wordt op de eerste € 4.000 (in de praktijk krijgt hij een forfaitaire indexering van € 80 in plaats van 2% op zijn volledige loon). Dit mechanisme zal tweemaal toegepast worden: in 2026 en 2028. Voor deeltijdse werknemers wordt het referteloon verhoudingsgewijs aangepast aan het tewerkstellingspercentage.
Waarover gaat het juist bij die € 4.000 bruto? Het gaat om je vaste, voltijdse baremieke of contractuele basisloon, los van prestaties of aantal gewerkte uren. Dit vaste loon omvat niet, bijvoorbeeld, de loontoeslagen, maaltijdcheques, rendementspremies, eindejaarspremies, ecocheques, winstpremies, nacht- of weekendtoeslagen, ...
De geplande timing voor de inwerkingtreding van deze maatregel is 1 april 2026. Alle lonen die vanaf deze datum worden uitbetaald, vallen hieronder (als bijvoorbeeld in een bedrijf een spilindex in maart 2026 wordt overschreden, zal het mechanisme worden toegepast op de in april 2026 uitbetaalde lonen).
| Als de gemiddelde inflatie 2% bedraagt: | ||
| Maandloon (bruto) | Verlies (bruto) na 10 jaar | Verlies (bruto) na 40 jaar |
| € 4.100 | € 473 | € 2.823 |
| € 5.000 | € 4.729 | € 28.233 |
Wat geldt voor je loon, geldt ook voor alle andere elementen die gekoppeld zijn aan de evolutie van je loon. Je dertiende maand zal evolueren zoals je loon, en je vakantiegeld ook. Als je loon dus forfaitair geïndexeerd wordt, zal ook de indexering van je eindejaarspremie of vakantiegeld begrensd worden. Als we hiermee rekening houden, bedraagt het financiële verlies € 32.586 bruto na 40 jaar voor een werknemer die vandaag € 5.000 bruto verdient.
En wat als we opnieuw te maken zouden krijgen met een torenhoge inflatie zoals in 2022? Deze berekeningen zijn gebaseerd op een gemiddelde inflatie van 2%. Maar als de inflatie in 2027 zou pieken zoals tijdens de energiecrisis in 2022 (bijna 10%) dan zou het niet-indexeren in 2028 nog veel zwaardere gevolgen hebben na 40 jaar loopbaan: liefst € 97.273 minder voor iemand met een loon van € 5.000 bruto. En bijna € 195.000 voor wie € 6.000 bruto verdient.
En allemaal winst voor mijn werkgever? Een deel van de gerealiseerde besparing zal bij je werkgever blijven (50%). Maar omdat dit een zogezegde begrotingsmaatregel is, dus bedoeld om geld in het laatje te brengen voor de staat, zal een specifieke RSZ‑bijdrage (loonmatigingsbijdrage) worden ingehouden op de lonen boven € 4.000. De werkgevers van de privésector zullen de helft van de opbrengsten uit de twee cycli van loonmatiging doorstorten aan de RSZ.
Het is duidelijk dat de centenindex een slecht idee is:
- Voor de begroting: de maatregel is niet doeltreffend omdat dit de fiscale en parafiscale inkomsten van de staat zal doen dalen.
- Qua billijkheid: de maatregel is niet doeltreffend omdat, daar waar de index niet wordt toegepast, het geld zal dienen om de dividenden te verhogen. Telkens opnieuw worden er onvoorwaardelijke cadeaus gegeven aan de bedrijven (bv. de taxshift…).
- De maatregel is contraproductief. De indexering in de privésector is vastgelegd in sectorale cao’s. Dit is dus nóg maar eens een inmenging van de politiek in een materie die aan het sociaal overleg toebehoort. 50% van ons BBP is gebaseerd op binnenlandse consumptie. De koopkracht beperken is jezelf in de voet schieten!
Als het doel is om méér inkomsten voor de staat te genereren, bestaat er een andere oplossing: de fiscaliteit. Beter belasten, progressiever belasten en de hoge inkomens meer belasten. Belastingen zijn hét instrument bij uitstek voor bijdrage en herverdeling, maar onder de Arizona‑coalitie blijft dit taboe, want niet populair bij de rechtse kiezers. Nochtans levert dit juist méér op voor de sociale zekerheid en de staatskas, terwijl het de koopkracht van iedereen behoudt!
Vandaag leven werknemers al in een periode van grote onzekerheid. Hun rechten, arbeidsvoorwaarden en pensioenvoorwaarden worden immers zonder overgang en zonder sociaal overleg gewijzigd. Deze centenindex is een zoveelste provocatie en overschrijdt een rode lijn.
De hoge lonen niet indexeren, het indexeringspercentage omzetten in een forfaitair bedrag, de indexeringsmomenten gelijkstellen... zijn allemaal andere maatregelen die in de hoofden van onze regering zouden kunnen rijpen om de loonindexering in de toekomst nog verder aan te vallen. Meer uitleg hierover is te vinden in onze vorige brochure over de index.
De gemiddelde consument en de standaardkorf
De evolutie van de prijzen wordt berekend op basis van een korf met producten en diensten die de bevolking “gemiddeld” zou consumeren. De evolutie van de prijzen van de producten en diensten in de korf is het resultaat van gemiddelden die zijn verkregen op basis van de HBE (huishoudbudgetenquête). Die korf is echter niet perfect: zo vertegenwoordigen energieproducten (elektriciteit, gas, stookolie…) gemiddeld 8% (jaar 2025) van de korf. Dit percentage strookt voor sommigen niet echt met de werkelijkheid. Als we het voorbeeld nemen van een gezin met een laag inkomen, is het aandeel van de energie-uitgaven in hun budget veel groter dan dit lage percentage en dit zijn uitgaven die moeilijk te drukken zijn. De vraag naar de actualisering van de korf (welke producten erin zitten en welk gewicht elk product krijgt) is dus fundamenteel als we willen dat die korf echt representatief blijft voor de consumptie van de gezinnen.
Het indexeringssysteem is voor verbetering vatbaar, dat zien we. Maar dat is nog geen reden om het eenvoudigweg af te voeren. Het is van essentieel belang, want het zorgt ervoor dat je levensstandaard op zijn minst behouden blijft! Het corrigeert de effecten van de inflatie achteraf. Dus willen we het in geen geval laten ondermijnen door de regering en de werkgevers!
Onwaarheden over indexering
“Als we de indexering niet aanpassen, dan gaan de loonkosten door het dak. De bedrijven kunnen dat niet betalen! Zeker niet na deze crisis.”
De werkgeversorganisaties stellen graag dat “zij zullen opdraaien” voor de factuur. Het klopt dat wanneer de index stijgt, de loonkosten van de bedrijven stijgen. Maar aangezien de automatische indexering een aanpassing is aan de reële kosten van goederen en diensten, gaat het niet om een loonsverhoging. Het zijn diezelfde bedrijven die de goederen en diensten produceren die duurder geworden zijn. Bovendien kregen de bedrijven de laatste jaren verschillende cadeaus van onze regeringen die elk jaar opnieuw een flinke besparing op de lonen zijn. Denken we bijvoorbeeld aan de taxshift (2016), waarbij de patronale bijdragen op het brutoloon (het deel dat ze aan de sociale zekerheid storten) werden verlaagd van 33% naar 25%. Ook de vennootschapsbelasting in België werd verlaagd en bedraagt sinds het aanslagjaar 2021 nog maar 25%.
Maar dat geldt ook niet voor alle bedrijven.
Elk jaar in december publiceert de Vlerick Business School immers haar studie over de verloning van CEO’s. De vaststellingen zijn elk jaar vaak dezelfde: de totale mediane verloning van de toplui in grote, middelgrote en kleine beursgenoteerde Belgische bedrijven blijft stijgen. Die totale verloning omvat het vaste loon, de kortetermijnbonus en de langetermijnverloning. Voor de BEL20‑bedrijven bedroeg die in 2024 gemiddeld € 3.092.587, tegenover € 2.810.634 in 2023.
“Als we de lonen indexeren, dan gaan de bedrijven gewoon meer geld voor hun producten en diensten vragen. De index is de oorzaak van de inflatie.”
De lonen worden pas geïndexeerd nadat de prijzen gestegen zijn. De tijdstippen waarop de lonen geïndexeerd worden, verschillen van sector tot sector. Er is dus geen groot schokeffect, integendeel. Het is de slechte werking van de markt die de inflatie veroorzaakt.
“De automatische indexering is niet eerlijk omdat het om identieke percentages gaat, ongeacht de bedragen van de lonen. We zouden beter nettobedragen geven aan de mensen die dit het hardst nodig hebben.”
Sommigen pleiten voor alternatieve modellen zoals een ‘sociale index’ of het uitdelen van forfaitaire bedragen. Vergis je niet: dit zijn aanvallen op de indexering zelf. De automatische indexering is niet rechtvaardig of onrechtvaardig, maar neutraal. Ze garandeert de koopkracht van iedereen: werknemers, mensen met een sociale uitkering, kleine of grote lonen. Het is geen manier om de rijkdom te herverdelen. Dat gebeurt via sociale bijdragen en via de fiscaliteit. Mensen met een groot loon krijgen inderdaad een grotere verhoging, maar in ruil daarvoor moeten zij meer bijdragen. De indexering van de lonen betekent dus ook een indexering van de socialezekerheidsbijdragen. Dat zorgt dus ook voor een grotere financiering van de sociale zekerheid en van de staatskas, wat voor iedereen positief is. Als de bron opdroogt wegens het uitblijven van indexeringen zullen ook de uitgaven (dus ook de uitkeringen) dalen.
De automatische indexering is geen privilege. Het is een collectieve dam tegen verarming, een pijler van ons sociaal model en een verworvenheid die met veel strijd is afgedwongen. Door er vandaag aan te raken, overschrijdt de Arizona-regering een rode lijn en opent ze de deur naar een geleidelijke ontmanteling van onze beschermingsmechanismen. We mogen dit niet laten gebeuren. De index verdedigen, betekent de koopkracht, de sociale zekerheid, de solidariteit tussen generaties en de waardigheid van werk verdedigen. Net als gisteren blijven we ook vandaag gemobiliseerd, verenigd en vastberaden: geen sprake van om de werknemers op te offeren voor bezuinigingen. De index moet behouden blijven zoals hij is.
[1] De afgevlakte gezondheidsindex is het rekenkundig gemiddelde van de gezondheidsindexcijfers van de vier laatste maanden. Dit wordt in België gebruikt om de inflatie af te vlakken en de indexering (2% verhoging) van lonen, pensioenen en sociale uitkeringen toe te passen zodra ze een spilindex overschrijdt.